- Home
- >
- Windmolen De Korenbloem
- >
- Het ontstaan van windmolens
De basisprincipes van windenergie
Windenergie betekent simpelweg het gebruik van de kracht van de wind om apparaten aan te drijven die nuttig werk voor ons kunnen verrichten. Al sinds de bouw van de eerste zeilschepen, duizenden jaren geleden, hebben mensen de kracht van de wind benut.
Een korte geschiedenis van windenergie
Een van de vroegst gedocumenteerde mechanische apparaten die gebruikmaakte van windenergie werd ontworpen door een Griekse wiskundige en ingenieur genaamd Heron van Alexandrië. Heron leefde in de 1e eeuw na Christus en was gefascineerd door de studie van pneumatiek, het gebruik van lucht of stoom om mechanische apparaten aan te drijven. Zijn ontwerp voor een door wind aangedreven panfluit toont een herkenbaar roterend windvaanmechanisme met een horizontale as om de wind op te vangen.
Tegen de 9e eeuw na Christus werd windenergie gebruikt om graan te malen en water te pompen in het gebied dat bekend stond als Perzië, het huidige Iran, Afghanistan en Pakistan. Hier waren windmolens met een verticale as, de zogenaamde Panemone-windmolens, algemeen in gebruik, waarvan sommige opmerkelijk genoeg nog steeds operationeel zijn.
Kijk op energyfollower.com voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling en het gebruik van windenergie.

Het ontstaan van Nederlandse windmolens
De geschiedenis van de windmolen in Nederland begint in de vroege middeleeuwen, rond de twaalfde en dertiende eeuw. Hoewel de allereerste windmolens waarschijnlijk hun oorsprong vonden in het Midden-Oosten en via de kruistochten of handelsroutes naar Europa kwamen, ontwikkelde de techniek zich in de Lage Landen op een unieke manier vanwege de specifieke geografische omstandigheden. Voordat windkracht op grote schaal werd benut, was men afhankelijk van watermolens, maar in de vlakke, langzaam stromende delta van Nederland was waterkracht niet overal beschikbaar of betrouwbaar. De wind was daarentegen in het vlakke landschap vrijwel altijd aanwezig.
De vroege oorsprong en de Standerdmolen
Het oudste type molen dat in Nederland verscheen, was de standerdmolen. Dit type wordt gekenmerkt door een houten kast die in zijn geheel op een verticale spil, de standerd, kan draaien om de wieken naar de wind te zetten. Omdat de hele opbouw met de zware molenstenen en het mechaniek gedraaid moest worden, was de omvang van deze molens beperkt. Ze werden voornamelijk gebruikt voor het malen van graan voor de lokale bevolking. De kwetsbaarheid van de houten constructie en de beperkte capaciteit vormden echter een stimulans voor verdere innovatie.
De strijd tegen het water
Een cruciaal moment in de ontwikkeling van de Nederlandse molen was de aanpassing van de techniek voor waterbeheer. In de vijftiende eeuw begon men windmolens in te zetten om het water uit de polders te pompen, wat essentieel was voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel lag. Hiervoor werd de wipmolen ontwikkeld. Bij dit type molen draait alleen het bovenste gedeelte, het huisje met de wiekenas, om een holle koker. Hierdoor kon de aandrijvende as door de koker naar beneden lopen om daar het scheprad in het water aan te drijven.
Deze innovatie maakte het mogelijk om grotere gebieden droog te leggen en te houden. In de zeventiende eeuw werd deze techniek geperfectioneerd door molenbouwers en ingenieurs zoals Jan Adriaanszoon Leeghwater. Door molens in een reeks te plaatsen, een zogenaamde molengang, kon men water stapsgewijs over grotere hoogtes opmalen. Dit leidde tot de drooglegging van grote meren zoals de Beemster en de Schermer, wat niet alleen landbouwgrond opleverde maar ook de Nederlandse waterbouwkundige reputatie vestigde.

De industriële revolutie op windkracht
De echte technologische doorbraak die de Nederlandse Gouden Eeuw mede mogelijk maakte, was de uitvinding van de bovenkruier en de krukas. Bij de bovenkruier is de romp van de molen vast en draait alleen de kap met de wieken. Dit betekende dat de romp van steen of hout veel groter en stabieler gebouwd kon worden, wat meer ruimte bood voor opslag en zwaardere machinerie.
Aan het einde van de zestiende eeuw voegde Cornelis Corneliszoon van Uitgeest hier een beslissende uitvinding aan toe: de krukas. Hiermee kon de draaiende beweging van de wieken worden omgezet in een op-en-neergaande zaagbeweging. Dit leidde tot de ontwikkeling van de houtzaagmolen, vaak uitgevoerd als paltrokmolen. Plotseling kon hout vele malen sneller worden gezaagd dan met de hand, wat essentieel was voor de scheepsbouw.
De Zaanstreek groeide hierdoor in de zeventiende eeuw uit tot het eerste echte industriegebied ter wereld. Honderden molens stonden hier dicht op elkaar en functioneerden als fabrieken. Ze zaagden hout voor de VOC-schepen, persten olie uit zaden, maakten papier, vermaalden specerijen en produceerden verfstoffen. De molen was getransformeerd van een lokaal hulpmiddel voor de bakker naar de motor van de nationale economie.

Neergang en behoud
De dominantie van de windmolen bleef bestaan tot de opkomst van de stoommachine in de negentiende eeuw. Stoom, en later elektriciteit en dieselmotoren, boden een betrouwbaardere energiebron die niet afhankelijk was van de grillen van het weer. Veel molens werden gesloopt of ontwiekt en omgebouwd tot mechanische maalderijen. Van de naar schatting 10.000 molens die Nederland ooit telde, zijn er nu nog ongeveer 1.200 over. Tegenwoordig worden deze overgebleven molens gekoesterd als cultureel erfgoed en monumenten van de Nederlandse vindingrijkheid in de strijd tegen het water en de opbouw van de welvaart.
