- Home
- >
- Oostendorper watermolen
- >
- Soorten watermolens
Welke soorten watermolens zijn er?
In Nederland vormen watermolens een essentieel onderdeel van het historische cultuurlandschap, waarbij ze vooral geconcentreerd zijn in de heuvelachtige regio’s van Zuid-Limburg en langs de beken in Gelderland en Overijssel. In tegenstelling tot windmolens maken deze bouwwerken gebruik van de stroming van beken en rivieren om hun mechanieken in beweging te zetten. Het water drijft een groot verticaal wiel aan de buitenkant van het gebouw aan, dat vervolgens via een complexe houten of ijzeren overbrenging de zware maalstenen of andere werktuigen binnenin laat draaien.
De architectuur van de Nederlandse watermolen is nauw verbonden met de specifieke loop van de beek waaraan hij ligt. Bij een bovenslagmolen wordt het water via een houten goot van bovenaf op het rad gestort, wat vaak voorkomt bij smalle beken met een aanzienlijk hoogteverschil. In vlakkere gebieden ziet men vaker onderslagmolens, waarbij het rad alleen door de druk van het passerende water aan de onderzijde in beweging wordt gebracht. Om een constante waterdruk te garanderen, is er vaak een molenvijver of een stuw aanwezig waarmee de molenaar de watertoevoer nauwkeurig kan regelen.
De functies van deze molens waren vroeger zeer divers en beperkten zich niet alleen tot het malen van koren voor de lokale bevolking. Veel watermolens werden ingezet voor industriële doeleinden, zoals het persen van olie uit zaden, het vollen van wol voor de textielindustrie of het malen van papierpulp als basis voor papier. Door hun ligging aan het kabbelende water en de vaak idyllische, natuurlijke omgeving waarin ze staan, hebben deze molens een romantische uitstraling gekregen. Desondanks blijven ze in de kern krachtige en functionele machines die getuigen van een vroege vorm van duurzame energievoorziening.
Watermill Mylos (Luka’s watermill)
Naast de hier onder beschreven onderslag- middenslag- en onderslag watermolens, zijn er meer constructies. Watermill Mylos (Luka’s watermill) zou je een bovenslag watermolen kunnen noemen. Maar de aanvoer van het water en de constructie is totaal anders. Kijk maar eens bij Watermill Mylos (Luka’s watermill).
Soorten windmolens
Wil je meer weten over alle soorten windmolens die in Nederland voorkomen, kijk dan bij de soorten windmolens die op deze website staan beschreven.
De getijdenmolen en de schipmolen
Voordat de onderslag- middenslag en bovenslag watermolen ontstonden zoals wij die nu nog kennen, werd er in Nederland gebruik gemaakt van de getijden- en de schipmolen gebruikt. Omdat het westen en noorden van Nederland zo extreem vlak zijn, was het traditionele waterrad, dat afhankelijk is van een beek die van een helling stroomt, daar simpelweg onbruikbaar. Het water stroomde te traag om een groot rad in beweging te krijgen.
Om toch de natuurkracht van water te kunnen benutten, kwamen molenbouwers met twee uiterst creatieve oplossingen voor de vlakke delen van het land.
De getijdenmolen (eb- en vloedmolens)
In de kustprovincies, zoals Zeeland, Zuid-Holland en langs de voormalige Zuiderzee, maakten bouwers slim gebruik van de zee. Ze bouwden getijdenmolens op plekken met een flink verschil tussen eb en vloed.
- De werking
Naast de molen werd een groot waterbekken, een spuikom, aangelegd met speciale sluisdeuren. Tijdens vloed duwde het stijgende zeewater de deuren open en stroomde het bekken vol. Bij de hoogste waterstand vielen de deuren dicht, waardoor het water ‘gevangen’ zat. Zodra het eb werd en het zeewater buiten de sluis ver genoeg was gezakt, liet de molenaar het opgespaarde water met grote kracht uit het bekken over het waterrad stromen. - Het leven van de molenaar
Het grote nadeel van deze ingenieuze molen was dat de molenaar volledig moest leven op het ritme van het getij. Omdat eb en vloed elke dag opschuiven, verschilden de werktijden dagelijks en moest er regelmatig midden in de nacht gemalen worden.
De schipmolen (drijvende molens)
Voor de grote, brede rivieren die door het vlakke land stroomden zoals de Rijn, Waal en Maas, werd de schipmolen bedacht. Dit was in feite een drijvende watermolen.
- De werking
De molen en het rad werden gebouwd op een of twee stevige houten boten (pontons). Dit hele gevaarte werd stevig verankerd in het midden van de rivier of onder de bogen van een grote brug, precies op de plek waar de natuurlijke stroming het sterkst was. De stroming van de rivier duwde onafgebroken tegen de bladen van het rad. - Het grote voordeel
Een rivier in het vlakke land kan in de winter enorm hoog staan en in de zomer erg laag. Doordat een schipmolen dreef, bewoog het rad altijd netjes mee met de waterstand. Als het waterpeil veranderde, kon de molen bovendien een stukje verplaatst worden naar de beste stroming.
De omslag naar wind
Hoewel getijden- en schipmolens fantastische uitvindingen waren, bleven ze afhankelijk van specifieke locaties zoals de kust of grote rivieren. Voor het écht uitgestrekte, drassige achterland in het westen waren ze ongeschikt. Uiteindelijk beseften de Nederlanders daar dat ze niet de kracht van het water moesten gebruiken, maar de kracht van de wind. De overstap naar de klassieke Hollandse windmolen bleek de absolute sleutel om het vlakke land van meel te voorzien én om uiteindelijk het overtollige water weg te pompen.
De onderslag watermolen
De onderslag watermolen is een karakteristiek type molen dat voornamelijk voorkomt in vlakkere gebieden waar de beken een bescheiden verval hebben maar wel een aanzienlijke hoeveelheid water verplaatsen. Bij deze constructie wordt de kracht van het water benut door het rad aan de onderzijde aan te drijven, waarbij de stroming van de beek direct tegen de houten of ijzeren schoepen van het rad duwt. Het rad hangt hierbij gedeeltelijk in het water van de beek of in een speciaal aangelegde geul, waardoor de horizontale druk van het passerende water de as in beweging zet.
Om de efficiëntie van de onderslagmolen te verhogen, is het rad vaak geplaatst in een nauwsluitende krop of goot van steen of hout die de vorm van het rad volgt. Deze nauwe behuizing zorgt ervoor dat er zo min mogelijk water langs de schoepen ontsnapt zonder kracht uit te oefenen, wat cruciaal is in gebieden waar de stroomsnelheid van nature niet erg hoog is. De molenaar kan de watertoevoer meestal beïnvloeden met een schuif of sluisdeur, waardoor hij de draaisnelheid van de molenstenen of de industriële werktuigen binnenin het gebouw nauwkeurig kan regelen.
Het uiterlijk van een onderslagmolen is vaak robuust, waarbij het grote rad prominent aan de zijgevel van het molengebouw zichtbaar is, vaak vlak boven het kabbelende wateroppervlak. Door de eeuwen heen werden deze molens voor talloze doeleinden gebruikt, van het malen van koren tot het slaan van olie uit zaden, waarbij ze altijd afhankelijk bleven van de constante loop van de rivier. Het gestage, klappende geluid van de schoepen die het water raken, is onlosmakelijk verbonden met de sfeer van de historische molenplaatsen in de lagere delen van Nederland.
De middenslag watermolen
Het verhaal van de middenslag molen is eigenlijk het perfecte voorbeeld van een eeuwenoud compromis in de techniek. Als je aan een watermolen denkt, zie je vaak voor je hoe het water van grote hoogte spectaculair op het rad klettert, of hoe een rad lui in een kabbelende, vlakke beek hangt. Maar er is nog een fascinerende tussenweg die we de middenslag watermolen noemen.
De gulden middenweg van de waterkracht
Stel je een beekje voor met een bescheiden hoogteverschil van een meter of twee, drie. Dat is te weinig om het water helemaal over de top van een rad te leiden, zoals bij een bovenslag molen gebeurt. Tegelijkertijd is het zonde om de energie van dat verval niet te gebruiken, zoals een onderslagmolen in een platte rivier zou doen. Hier komt de middenslag molen perfect tot zijn recht.
Bij dit type molen stroomt het water precies halverwege het rad naar binnen, ongeveer ter hoogte van de as. Vanaf dat moment werken er twee natuurkrachten naadloos samen. Eerst klapt het stromende water met volle vaart tegen de schoepen, waardoor de stroming het rad direct een flinke duw geeft. Meteen daarna vangen de houten of ijzeren bakjes van het rad het water op. De zwaartekracht neemt het stokje over en trekt dat flinke gewicht aan water onverbiddelijk naar beneden. Deze slimme combinatie van snelheid en zwaartekracht zorgt voor een krachtige, soepele draaibeweging die door de eeuwen heen molenstenen en zware machines heeft aangedreven.
Limburgse trots in een vlak land
Omdat Nederland grotendeels zo plat is als een dubbeltje, bouwden we vroeger vooral onderslagmolens. Maar zodra je afzakt naar het heuvelachtige landschap van Limburg, verandert het verhaal. Daar, waar de beken en riviertjes zich een weg banen door de valleien en precies het juiste verval hebben, duiken de middenslag molens op.
Een iconisch voorbeeld hiervan is de Bisschopsmolen. Deze historische parel draait al eeuwenlang op het water van de Jeker, dwars door het centrum van Maastricht. Ook langs de oevers van de Geul, bijvoorbeeld bij de statige Geulhemmermolen in Valkenburg, kun je deze techniek nog steeds in de praktijk zien werken. De Ophovenermolen aan de rand van het stadspark in Sittard bewijst zelfs dat deze eeuwenoude techniek springlevend is; het imposante ijzeren middenslag rad in de Geleenbeek doet tegenwoordig dienst als moderne, groene stroomgenerator. En als je de omgeving van Vaals bezoekt, vind je bij het kasteel de Vaalsbroekermolen, die ooit dankzij het water van lokale bronnen linnen, wol en koren kon verwerken.
Een ijzersterke upgrade
Hoewel de eerste middenslag molens volledig van hout werden gebouwd, kregen ze in de negentiende eeuw een indrukwekkende technologische opkikker. Toen de industriële revolutie op gang kwam, wilden molenaars zoveel mogelijk kracht uit hun beken persen. Ze vervingen hun oude, houten raderen door strak ontworpen ijzeren versies met gebogen schoepen, zoals het beroemde Ponceletrad of het Zuppingerrad. Dankzij die gebogen vorm botste het water niet meer hard tegen het rad, maar gleed het er soepel in en uit. Dit gaf het rendement een enorme vlucht en gaf de middenslag molen een onmisbare plek in onze vroege industriële geschiedenis.
De bovenslag watermolen
De bovenslag watermolen is een technisch vernuftig bouwwerk dat optimaal gebruikmaakt van de zwaartekracht en daarom vooral te vinden is in gebieden met een aanzienlijk hoogteverschil. Bij dit type molen wordt het water via een kunstmatige houten of stenen goot naar de bovenzijde van het rad geleid, waar het precies boven het middelpunt in de bakvormige schoepen valt. Door het gewicht van het opgevangen water in deze bakken wordt het rad naar beneden gedrukt, waardoor een krachtige en constante draaibeweging ontstaat die via de hoofdas de maalstenen of andere werktuigen in het gebouw aandrijft.
Dit mechanisme is zeer efficiënt omdat het niet alleen afhankelijk is van de stroomsnelheid van de beek, maar vooral van de potentiële energie van het vallende water. Om een gelijkmatige watertoevoer te garanderen, is er vaak een molenvijver boven de molen aangelegd die dienstdoet als reservoir, zodat de molenaar ook in drogere periodes voldoende druk heeft om te kunnen werken. Met een schuif aan het einde van de toevoergoot kan de molenaar de hoeveelheid water die op het rad stort heel nauwkeurig doseren, wat essentieel is voor de veiligheid en de kwaliteit van het maalproces.
Het uiterlijk van een bovenslag watermolen is vaak spectaculair door de zichtbare waterval die over het rad klettert en de vaak idyllische ligging tegen een helling of dijk. Het molengebouw zelf is doorgaans robuust opgetrokken uit steen of vakwerk om de trillingen van het zware, met water gevulde rad te weerstaan. Omdat dit type molen een hoog rendement haalt bij relatief kleine hoeveelheden water, bleven veel van deze molens tot diep in de industriële tijd een onmisbare schakel in de lokale voedselvoorziening en nijverheid.




